Beginpagina‎ > ‎Best‎ > ‎

Honderdjarigen

Mevr. J.M. van Kuik van Rijzingen          24-09-1834/1934      overleden 14-01-1937

Dhr.  C. Vogels                                       25-12-1882/1982      Overleden 03-09-1986 *

Mevr.  J.M. van Velzen- van de Kerkhof  16-11-1893/1993      Overleden 08-04-1995 *

Dhr. H. van Engelen                               27-10-1898/1998      Overleden 07-04-1999

Mevr. M. Thijs- van den Brandt               01-05-1901/2001      Overleden 14-07-2001

Mevr. D.M.H. Peters- van Meerendonk    07-02-1909/2009      Overleden 11-11-2009 *

Mevr. T.J.M. van der Heijden-Murkens   30-09-1909/2009      Overleden 05-06-2014

Mevr. J. Vermeulen- van Berkel             07-10-1913/2013      Overleden 19-06-2014 *

Dhr. J. Rajnhard                                    21-12-1913/2013      Overleden 07-06-2014 *

Bij de namen gemerkt met het teken *  is ook een verhaal op die persoon te lezen.

 

Johanna Maria van Kuik (bijgenaamd Grutje)

Johanna Maria van Rijzingen is geboren te St. Oedenrode op 24 september 1834. Ze 
komt op 22-11-1870 naar Best en trouwt in november 1870 met Henricus van Kuik (klompenmaker). Ze had 3 zonen en 3 dochters, waarvan een tweeling. In de volksmond werd zij 'Grutje ' van Kuik genoemd. Op haar 100e verjaardag, na het rusten, kwamen alle schoolkinderen haar feliciteren. Als dank kregen de kinderen een appel. Ze is overleden te Best 14 januari 1937.





C.(Kiske) Vogels: “Mensen trokken vroeger meer met elkaar op”.

Artikel uit het Eindhovens Dagblad van 21 december 1982, door Ad Bonsink.

“Weet je hoe het vroeger was in Best. Een en al armoede. De boeren waren arm. De klompenmakers waren arm. Ze hadden geen cent. Maar de mensen trokken wel meer met elkaar op. Daar hoef je nu niet meer om te komen. Als je je nu niet kunt bedruipen laten ze je mooi stikken. Wat dat betreft is er geen pest meer aan”.
Zo filosofeert Cornelis (Kiske) Vogels, die op eerste kerstdag de eerbiedwaardige leeftijd van honderd jaar bereikt. “Volgens mij is het zeker vijftig jaar geleden dat er iemand 100 jaar werd in Best”, zegt Kiske Vogels niet zonder trots. Hij woont sinds augustus van dit jaar in het Bestse bejaardentehuis Huize Nazareth in een tijdelijk onderkomen (ziekenkamer). “Als er een dood gaat, zo gaat dat toch, krijg ik een andere kamer heeft zuster Gerarda beloofd en trouwens deze kamer bevalt me ook prima. Ik heb het hier best naar mijn zin. Als ik in mijn kamer kom na mijn kaartavondje staat er een glas warme melk voor me klaar en een uur of half tien ’s morgens wordt ik verwend met een beker bouillon. Ze lopen hier allemaal even hard voor me”.
Tot het moment dat hij in Nazareth kwam woonde Kiske Vogels veertig jaar bij zijn enige zoon Cornelis aan de Sint-Oedenrodeseweg. Opname in een ziekenhuis van zijn schoondochter was de reden van zijn verhuizing. Actief neemt hij nog deel aan het sociale leven in het bejaardentehuis; van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat wordt er gekaart en als er diep in de nacht nog iets op de beeldbuis is, vooral in politiek is Kiske geïnteresseerd, dan is hij er niet voor weg te slaan
Mag zijn gehoor wat minder zijn geworden en functioneren zijn benen niet meer zoals hij zou willen, met zijn geheugen is het nog prima gesteld. Hij weet het allemaal nog precies. Rustig lurkend aan zijn pijp (vijf sigaren per dag met daar tussendoor wat pijpjes), verhaalt hij over vroeger. Met tien jaar van school, dat was in 1892, en op zijn elfde aan het werk. Zijn moeder was dan al acht jaar dood. “Ach, je moet het zo zien. Toen ik van school kwam met mijn tiende was ik volleerd: ik kon tellen en dat was belangrijk in die tijd. Ik had het ook wel nodig voor m’n eerste werk: met een kar, getrokken door drie honden, kruidenierswaren verkopen in Best, Oirschot, Liempde en Sint-Oedenrode”.
“Maar ja, vroeger werd je in Best boer of klompenmaker. Nou, ik moest dan maar klompenmaker worden, of je wilde of niet. Op een gegeven moment begon het hier in Best een beetje slap te worden met werk. Mijn broers hadden een baan in Düsseldorf en dat leek me ook wel. Maar eerst, om aan reisgeld te komen, bij de steenfabriek in de leemputten gewerkt. Laat ik nou met mijn verdiende geld niet verder dan Venlo komen. In die tijd speelde ik een beetje trekharmonica en ik in Venlo langs de huizen. Je moet maar rekenen, honderd huizen, honderd centen”.
En zo kwam de vijftienjarige Kiske bij zijn broers in Düsseldorf, waar hij twee jaar op de ijzersmelterij werkte.
Terug naar Brabant. Voordat hij in 1902 moest opkomen in militaire dienst heeft Kiske in de Peel (Helenaveen) kanalen gegraven, om de turf te vervoeren en in Stratum als klompenmakersknecht gewerkt. In de Peel verdiende hij acht gulden, maar daar ging wel 1 gulden vanaf voor de reiskosten.
“Dat was in ieder geval meer dan je in Best kon verdienen”. Kiske Vogels moest tijdens de eerste wereldoorlog toch nog een keer zijn uniform uit de mottenballen moeten halen tijdens de mobilisatie. Twee jaar heeft hij het grensgebied met België bewaakt. Ook kon hij in die periode zijn vak, het klompen maken, weer oppakken door met een knecht dit schoeisel voor de soldaten aan het front te fabriceren. 
Toen hij in 1908 trouwde met een Rooise, zij overleed in 1941, heeft hij, met onderbreking van de mobilisatie, zich nog uitsluitend gewijd aan het klompen maken. “Het is vreemd, ik had een hekel aan het klompenmakersvak en toch word je veroordeeld om een groot deel van je leven te doen. Er was gewoon geen keus”.
“Als ik zo terugkijk dan zijn die honderd jaar toch snel gegaan. Ik denk, dat als je over tien jaar een ton zou erven het veel en veel langer duurt. Ik heb goed geleefd. Overal waar het gebeurde, daar was ik bij. En daarbij komt, in die tijd had je twintig borreltjes voor een gulden en dat had ik liever dan heilige olie”. Na dat gezegd te hebben neemt Kiske Vogels nog een teugje van zijn dagelijkse jonge klare.
De verjaardag van Kiske Vogels wordt zaterdag onder meer gevierd met een eucharistieviering om 10.30 uur in St. Odulphuskerk aan de Hoofdstraat en van 16 tot 18 uur met een receptie in de zaal van café De Ooievaar aan het Wilhelminaplein in Best. 


Mevrouw Van Velzen: “Altijd een taaie geweest”.
Artikel uit het Eindhovens Dagblad van 17 november 1993.

Menig Bestenaar kent de frêle gestalte van omaatje Van Velzen. Tot ver in de negentig wandelde ze parmantig door de winkelstraten om boodschappen te doen “voor de oude mensen uit Huize Nazareth die niet meer goed vooruit konden”, zoals ze het zelf zei. Menig voorbijganger klampte ze aan voor een praatje en het gesprek werd steevast afgesloten met: “Je moet maar eens op de koffie komen”.
Gisteren bereikte omaatje Van Velzen de leeftijd van honderd jaar. Alhoewel het feest in familiekring werd gevierd om de honderdjarige niet te veel te belasten, werd het toch nog een drukke dag in Huize Nazareth, het verzorgingshuis waar ze al bijna vijfentwintig jaar woont.
Het portret van Mevrouw Van Velzen werd gistermiddag met enig officieel vertoon bij gehangen in de galerij van de honderdjarigen, een initiatief van de directie van Huize Nazareth. Alle honderdjarigen krijgen een plaatsje in deze galerij. Mevrouw Van Velzen verrichtte de openingshandeling.
Sinds enkele jaren is de bewegingsvrijheid van Mevrouw Van Velzen beperkt. Haar leeftijd bemoeilijkt op een gegeven moment het lopen en toen ze vorig jaar door een val haar breuk brak, was ze voortaan aangewezen op de hulp van anderen. “De doktoren wilden mijn moeder toch nog wel opereren, omdat ze goed gezond was. Haar hele leven heeft ze nauwelijks medicijnen geslikt en is ze nooit echt ziek geweest”, legt haar zoon Jan uit. “Ze heeft een nieuwe heup gekregen, maar ondanks fysiotherapie moet ze toch worden geholpen”.
Mevrouw Van Velzen-van de Kerkhof werd op 16 november 1893 in Someren geboren. Ze verhuisde in de jaren dertig naar Eindhoven. Samen met haar echtgenoot runde ze een bloemenzaak aan de Kerkstraat. In 1963 moest de zaak worden afgebroken vanwege het verbreden van de rijweg. In 1969 kwam zij met haar zoon Jan naar Best. 
“We zijn gezond en we leven nog”, zegt mevrouw Van Velzen, terwijl ze een kam door haar dunne, spierwitte haren haalt. Vervolgens helpt de bejaardenverzorgster haar tengere en breekbare gestalte in een stoel en vouwt ze haar broze handen. “Mijn moeder werd 95 en ik ben ook altijd een oude taaie geweest. Om lezen of televisie kijken geef ik niet zoveel. Ik buurt liever. Daarom deed ik altijd boodschappen voor andere mensen in Huize Nazareth. Ik heb een gezellig leven gehad en kijk tevreden terug. Ik vind dat ik niet mag mopperen. Het is jammer dat ik nu niet meer zo veel kan buurten. Ik word te vlug moe”.
“Je hebt toch niet tegen iedereen gezegd dat ik honderd word”, vraagt ze aan haar zoon. Als deze antwoord dat hij alle kennissen en familieleden heeft uitgenodigd, zegt ze zorgzaam: “Ik moet zorgen dat ik een sigaartje heb”. De honderdjarige werd gisteren ook vereerd met een bezoek door het college van burgemeesters en wethouders. Een muziekkorps bracht haar een serenade.


Dina Peters
Verhaal uit het periodiek Uit de Kelder(nummer 37) van Heemkundekring “Dye van Best” en opgetekend Jan Vogels en Wim van Laarhoven.

Dina Peters werd op 7 februari 1909 geboren in Kasteren, gemeente Liempde, en ging na vijf jaar lagere school werken bij de boer. Zij werd voor f 25,- per jaar verhuurd aan een boer in Boxtel, kost en inwoning inbegrepen. Ze hielp bij het hooien en oogsten. Ze moest “de gerven binden en op struiken zetten”. Zwaar werk en op zondag moest ze ’s morgens naar de mis en ’s middags naar het lof. Haar enige vertier bestond uit “steentjesketsen en naschieten” en het bezoeken van de kermissen in de buurt. Heel af en toe mocht ze naar huis voor familiebezoek. Toen deze bij de boer wegging kreeg ze als afscheidscadeau een H. Hartbeeld. 
Het Duits lijntje dat door Kasteren liep werd ook gebruikt voor personenvervoer. Reizigers gooiden hun sigarettenpeuken uit de trein op de Parallelweg (Prelweg). Deze peuken werden door de jeugd verzameld om er nieuwe sigaretten van te maken zodat ze heel goedkoop aan hun rookwaar kwamen. Er kwamen ook regelmatig treinen langs vol met soldaten. Die zwaaiden naar de aanwezigen langs de lijn. Dina zwaaide dan hartstochtelijk terug. Op een gegeven moment kreeg Dina bezoek ban een jongeman, Willem Peters, die op zijn fiets uit Erp kwam. Dina herkende hem meteen en zo kregen ze verkering. Dina had hem, zoals ze het zelf noemde, uit de trein gezwaaid.
Ze huwden op 2 mei 1934 en kregen acht kinderen. Zij woonden aan de Steenweg C58 bij het kruispunt in Best. Willem werkte bij de Boerenbond in Eindhoven en later bij Philips. In 1956 is Willem bij een bedrijfsongeval om het leven gekomen. Dankzij de goede sociale voorzieningen bij Philips is ze met haar acht kinderen niets te kort gekomen.
Tijdens de oorlog zijn ze geëvacueerd naar Aarle en daarna naar Boxtel. Bij terugkomst in Boxtel was hun huis aan de Steenweg helemaal leeggehaald.
Dina heeft een zeer opgeruimd karakter en heeft genoten van het leven. Nadat ze haar rijbewijs behaalde heeft zij tot haar 93ste in haar Dafje rondgereden. Tot haar 93ste was ze ook nog lid van de zwem- en beugelclub. Ze heeft ook veel gereisd. Ze kwam vaak op Mallorca en op hoge leeftijd is nog op vakantie geweest in Amerika. Ze hield van kaarten, vooral van rikken en ze mocht graag eens gaan dansen. Als ze alleen was speelde ze tegen een denkbeeldige tegenstander een potje rummikuppen. Als haar denkbeeldige tegenstander aan de beurt was zei ze: “nou ben de gij wir”. 
Dina is uiterst tevreden en klaagt nooit. Ze geniet van haar mooie kamer in De Kanidas waar naast de familiefoto’s haar ingelijste melkdiploma aan de muur hangt. Dina respecteert ieders mening en als mensen over anderen willen roddelen zegt ze steevast: “zou de urst niet over oew eige beginne“.
Dina heeft inmiddels samen met haar familie en bekenden haar 100e verjaardag gevierd. Tot laat in de avond is er gefeest gevierd bij het “Blauw Boerke”. “Ik ben er nog graag bij” zegt ze en wij hopen dat zij nog vele jaren bij mag zijn.

 
Mevr. Janske Vermeulen- van Berkel.
Verhaal uit het periodiek Uit de Kelder(nummer 57) van Heemkundekring “Dye van Best”  en opgetekend door Jan Vogels en Wim van Laarhoven.

Janske op is 7 oktober 1913 geboren in de Vleut, in het huis aan de Molenkampseweg, genaamd Gunterslaer. Janske was de oudste uit een gezin van 6 kinderen. Er waren nog 4 kinderen meer geboren doch deze zijn op zeer jonge leeftijd overleden. De ouders waren Harrie van Berkel en Kato Hak. Vader Harrie van Berkel was veehandelaar. Janske is 1 jaar naar de bewaarschool gegaan waarna ze 6 jaar op de lagere school bij de nonnen heeft gezeten. Ze ging hier op klompen vanuit de Vleut te voet naar toe. Toen ze 10 jaar was zijn ze verhuisd naar de Steenweg (Boschdijk) waar vader Café Het Zwart Bakje bouwde. De plaatselijke gasten waren de buurtbewoners uit de Vleut en de kanaalgravers. Na de lagere school bleef Janske thuis in het huishouden werken want in het grote gezin kon moeder haar goed gebruiken. ‘s Morgens vroeg, voordat de ouders opgestaan waren, was ze al bezig met het broodbakken. Als de ouders op kwamen stond het brood al te rijzen.
De broer van haar vader had in de Woenselsestraat in Eindhoven een café. Hier was ook een danszaal aan verbonden. Omdat het er vaak erg druk was vroeg hij haar ouders of Janske kon komen helpen. Dit vond ze erg plezierig, temeer omdat ze er ook leerde dansen op de grote orgel. Het dansen was haar grote hobby. Ze danste er de valeta, wals, foxtrot en de bazoerka. Haar vader adviseerde: Meid, maak zo veel plezier als je kunt, want er zal nog wel eens een tijd komen dat je niet meer zult hoeven te lachen. Dit advies heeft ze goed opgevolgd en zodoende heeft ze een heel plezierige jeugd gehad. 
In 1940 zijn ze verhuisd van Het Zwart Bakje naar Café van Bergeijk, van Hijs en Griet, aan de kanaalbrug. Dit café stond onder aan het talud van de oprit naar het kanaal aan de Boschdijk.
Op zondag gingen ze ’s morgens naar de mis en ’s middags naar het lof. Na het lof gingen ze om half vier naar de H. Familie. Hierin werd gezongen zoals: O sterre der zee en andere christelijke liederen. De H. Familie was om de week voor de jongens en de andere week voor de meisjes( de congregatie).
Ze is een keer samen met haar vader met de fiets op bedevaart naar Kevelaer geweest. Ze fietsten een dag heen, overnachtten in het nog steeds aanwezige Hotel de Kroon, en fietsten de volgende dag weer terug naar Best.  Tevens is ze vaak naar de H. Eik in Oirschot gelopen. Ze waren ook verplicht elke week te biechten. Ze wist vaak niet wat ze moest zeggen en zei dan maar dat ze aan de suikerpot had gezeten.
Met haar 2 broers en 2 zussen werkte ze bij de Bata, evenals haar zwager Frans Vermeulen die met haar zus Drieka was getrouwd. Hij was directiechauffeur bij de Bata en in dienst van directeur Nossek.  Janske werkte op de modeafdeling als stikster. Ze heeft hier heel veel sierstikwerk verricht en was er vaak een “manusje van alles”.
Zus Drieka overleed op 32 jarige leeftijd en Frans Vermeulen bleef toen met 3 kleine kinderen zitten. Janske ging toen Frans met zijn kindjes vooruit helpen. Echter, weldra sloeg de vonk over en in 1954 trouwde Janske met Frans en werd toen stiefmoeder van 3 kinderen. Na haar huwelijk heeft ze nog 8 jaar voor halve dagen bij de Bata gewerkt.
Een grote hobby van Jankse was breien en haken. Ze is er zo handig in dat ze kan breien zonder patroon. Toen ze eens in Eindhoven aan het winkelen was, zag ze in een etalage een mooie trui hangen. Ze bestudeerde het patroon en toen ze thuis was breide ze de trui feilloos na. Zo breide ze voor de familie o.a. kousen, sokken, truien en dassen. Ze heeft ook 15 grote bedspreien gehaakt.
Janske heeft een mooi verhaal verteld en sloot af met: “ge kunt ’t er wel mee doen”. 


Jaroslav Rajnhard. Feest in het Batadorp.

Jaroslav Rajnhard is in Tsjechië geboren en werkte bij de Bata. Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonde en werkte hij in Indonesië. Hij had een kleine fabriek waarin hij voor Bata schoenen maakte. Toen de Japanse bezetter kwam, maakte hij laarzen voor de soldaten. In 1958 emigreerde hij naar Best om bij de Bata te gaan werken.
Na zijn pensionering is hij in het Batadorp blijven wonen. Hij heeft uit het leven gehaald wat hij belangrijk vond. Jaroslav Rajnhard is een optimist, klaagt nooit en is bijzonder tevreden met zijn bestaan. Tot hoge leeftijd heeft hij gebridged. Hoewel zijn gezondheid broos was, probeerde hij nog steeds interesse in zijn omgeving te houden. Hij hield het nieuws van de dag bij en genoot dagelijks van zijn tuin en vogeltjes. Hij had twee dochters en een één kleinzoon.